De verticale revolutie, of de reden waarom mensen rechtop lopen

The Upright Revolution 4


Dutch (NL)


Lang geleden liepen mensen op armen en benen, net als alle andere wezens met vier ledematen. Mensen waren sneller dan de haas, het luipaard en de neushoorn. De benen en armen waren closer met elkaar dan alle andere organen. Hun gewrichten leken op elkaar: schouders en heupen; ellebogen en knieën; enkels en polsen; voeten en handen, elk eindigend in vijf tenen of vingers, met een nagel op elke teen en elke vinger. De handen en de voeten hadden dezelfde indeling: vijf tenen en vijf vingers van de grote teen en duim tot de kleinste teen en pink. In die tijd zat de duim dicht bij de andere vingers, net als de grote teen. De benen en de armen spraken elkaar aan met ‘neef’ en ‘nicht’.

Zij werkten samen om het lichaam te dragen waar het ook maar heen wilde; naar de markt of de winkels, bomen in en uit, bergen op en af – overal waar beweging voor nodig was. Zelfs in het water zorgden zij er samen voor dat het lichaam dreef, zwom of dook. Hun relatie was democratisch en gebaseerd op gelijkwaardigheid. Zij konden ook de producten van andere organen lenen, zoals geluid van de mond, gehoor van het oor, reuk van de neus en zelfs zicht van de ogen.

Door hun ritme en probleemloze samenwerking werden de andere delen groen en geel van jaloezie. Zij stoorden zich eraan dat zij hun speciale gave aan de neven en nichten moesten uitlenen. Door afgunst zagen zij niet meer dat de armen en benen hen overal brachten. Samen smeedden ze een complot tegen deze twee paren.

Tong leende een plan van Brein en ging meteen aan de slag. Hij begon zich luidruchtig af te vragen wat het verschil in kracht was tussen de armen en de benen. Wie zou er sterker zijn? vroeg hij zich af. De neven en nichten, die nooit hadden nagedacht over wat de ander had of kon doen, leenden het geluid van de mond en beweerden dat zij belangrijker voor het lichaam waren dan de ander. Dit veranderde snel in beweringen over wie eleganter was; de armen schepten op over de slanke vingers van hun handen en spraken tegelijkertijd spottend over korte, dikke tenen. De tenen overtroefden dit met spottende uitspraken over dunne, uitgehongerde vingers! Dit ging dagenlang door en soms konden de armen en benen niet meer goed samenwerken. Langzaam maar zeker werd het duidelijk dat het allemaal om macht ging. Ze wendden zich tot de andere organen voor bemiddeling.

Tong stelde een wedstrijd voor. Iedereen vond dit een fantastisch idee. Maar wat voor wedstrijd? Sommigen stelden een worstelwedstrijd voor, arm-en-been-worstelen. Anderen stelden een zwaardgevecht, jongleren, rennen of een spel zoals schaken of dammen voor, maar elk voorstel werd uitgesloten omdat het te moeilijk was om uit te voeren of oneerlijk tegenover de ene of de andere ledemaat. Het was wederom Tong die, na het lenen van het denken van Brein, met een eenvoudige oplossing kwam. Elke groep organen zou om de beurt een uitdaging voorstellen. De armen en de benen waren het hiermee eens.

De wedstrijd werd in een open plek in het bos gehouden, dicht bij een rivier. Alle organen stonden op scherp. Ze waren op hun hoede voor mogelijke gevaren en alles wat het lichaam onverwacht kon overkomen nu zijn organen bezig waren met een interne strijd. De ogen keken onderzoekend rond of ze gevaar zagen, klein of groot, ver weg of dichtbij; de oren luisterden ingespannen om de zachtste geluiden op te kunnen vangen, van welke afstand dan ook; de neus maakte zijn neusgaten goed schoon om de gevaren te kunnen ruiken die de waakzame ogen en de luisterende oren zouden ontgaan; en de tong stond klaar om te schreeuwen en te gillen: ‘Kijk uit!’

Wind verspreidde het nieuws over de wedstrijd naar alle uithoeken van het bos, het water en de lucht. De dieren op vier poten waren er het eerst; veel van de grotere dieren hadden groene takken bij zich om aan te geven dat zij in vrede kwamen. Het was een bonte menigte met Luipaard, Jachtluipaard, Leeuw, Neushoorn, Hyena, Olifant, Giraf, Kameel, Watusirund en Kafferbuffel, Antilope, Gazelle, Haas, Mol en Rat. Waterdieren – Nijlpaard, Vis en Krokodil – lagen met hun bovenlichaam op de oever en hielden het onderlichaam in de rivier. De tweepotigen – Struisvogel, Parelhoen en Pauw – flapperden opgewonden met hun vleugels; vogels tjilpten in de bomen, Krekel zong onophoudelijk. Spin, Worm, Duizendpoot en Miljoenpoot kropen over de grond of in de bomen. Kameleon liep onopgemerkt, voorzichtig, zonder haast, terwijl Hagedis rondrende en nooit lang ergens bleef zitten. Aap, Chimpansee en Gorilla sprongen van tak naar tak. Zelfs de bomen en de struiken zwaaiden heen en weer, bogen en stonden om de beurt stil.

Mond opende de wedstrijd met een lied:

Wij doen dit om geluk te vinden
Wij doen dit om geluk te vinden
Wij doen dit om geluk te vinden
Omdat wij allemaal
Uit dezelfde natuur voortkomen.

Armen en Benen beloofden de uitslag te aanvaarden; zonder driftbuien en zonder te dreigen met boycots, stakingen of stiptheidsacties.

Armen bedachten de eerste uitdaging: ze gooiden een stuk hout op de grond. De benen, rechts, links of samen, moesten het stuk hout oppakken en gooien. De twee benen mochten om hun taak uit te voeren op elk moment met elkaar overleggen en hun tenen in elke willekeurige volgorde inzetten – een voor een of allemaal tegelijk. Ze probeerden het stuk hout om te draaien en te duwen; ze probeerden allerlei combinaties, maar konden het stuk hout niet oppakken. Het beste resultaat werd verkregen toen zij het schopten: toen werd het wel een paar centimeter verplaatst. Vingers keken ernaar. Ze leenden het geluid van de mond en lachten en lachten. Armen, de uitdagende partij, pronkten alsof zij deelnamen aan een schoonheidswedstrijd. Ze lieten trots hun slanke uiterlijk zien en pakten het stuk hout op verschillende manieren op. Ze gooiden het ver het bos in, wat een gezamenlijke zucht van bewondering ontlokte aan de deelnemers en de toeschouwers. Ze toonden ook andere vaardigheden: ze pakten korrels zand uit een schaaltje met rijst, ze deden wat draad door het oog van een naald, ze maakten kleine katrollen om zwaardere stukken hout te verplaatsen, ze maakten speren en gooiden deze best ver – allerlei bewegingen en activiteiten waar de tenen alleen maar van konden dromen. Benen konden alleen zitten en zich vergapen aan de behendigheid en flexibiliteit van hun slanke concurrenten. De armen van de toeschouwers klapten in waardering en solidariteit met de mede-armen; het leek wel of het donderde, en hierdoor raakten de benen overstuur. Maar ze gaven echt niet op; zelfs toen ze een beetje sip zaten te kijken en de grote tenen kleine cirkels in het zand tekenden, zaten ze na te denken over een uitdaging die zij konden winnen.

Eindelijk mochten de benen en de tenen vertellen welke uitdaging zij bedacht hadden. Die van hen was eenvoudig, zeiden ze. De handen moesten het gewicht van het hele lichaam dragen van de ene kant van de cirkel naar de andere. Wat een domme uitdaging, dachten de verwaande vingers. Het was een prachtig gezicht. Het hele lichaam was ondersteboven. De handen raakten de grond; de ogen waren dicht bij de grond, waardoor hun zicht werd belemmerd; stof kwam in de neus, waardoor die moest niezen; de benen en tenen zweefden in de lucht: nyayo juu, schreeuwden de toeschouwers, en ze zongen plagerig.

Nyayo Nyayo juu
Hakuna matata
Fuata Nyayo
Hakuna matata
Turukeni angani

Maar hun aandacht was volledig op de handen en armen gericht. Organen die maar een paar minuten eerder een breed palet aan vaardigheden hadden laten zien, konden amper vooruitkomen. Een paar stappen, de handen schreeuwden het uit van de pijn, de armen wankelden, beefden en lieten het lichaam vallen. Ze rustten uit en probeerden het nogmaals. Deze keer probeerden zij de vingers te spreiden om de grond beter vast te houden, maar alleen de duimen konden zich uitrekken. Zij probeerden een radslag te doen, maar die werd afgekeurd omdat die alleen samen met de benen kon worden gedaan. Nu konden de tenen lachen. Zij leenden diepe keelklanken van de mond voor hun lach in tegenstelling tot het piepende geluid dat de vingers hadden gebruikt. Toen ze hoorden hoe smalend de tenen lachten, werden de armen boos en deden ze nog één wanhopige poging om het lichaam te dragen. Maar ze konden geen stap verzetten. Uitgeput gaven de handen en de vingers het op. De benen toonden met plezier hun sportieve bekwaamheid: ze tikten de maat, liepen, renden, sprongen omhoog en ver en lieten het lichaam niet één keer vallen. De voeten van de toeschouwers stampten op de grond om hun goedkeuring en solidariteit te tonen. De armen hieven hun handen op in protest tegen de onsportiviteit van de benen – ze leken wel vergeten te zijn dat zij dit spel zelf waren begonnen.

Maar iedereen, zelfs de toeschouwers, zag dat er iets vreemds was met de handen: de duimen hadden zich uitgestrekt toen de handen het lichaam hadden geprobeerd te dragen en nu waren ze nog steeds gescheiden van de andere vingers. De concurrerende organen gingen net weer lachen toen ze nog iets opmerkten: de afgescheiden duim maakte de handen niet minder efficiënt, integendeel, hun vermogen om te grijpen en te pakken was groter geworden. Wat gebeurde er? Misvorming werd getransformeerd in het vermogen om te vormen!

De organen discussieerden over wie de winnaar was, vijf dagen lang, het aantal vingers en tenen aan elke ledemaat. Maar het lukte hun niet om een duidelijke winnaar aan te wijzen: elk paar ledematen was de beste in wat zij het beste deden; geen van beiden kon zonder de ander. Wat volgde was een filosofische overweging. Wat is het lichaam eigenlijk? vroegen ze zich af, en ze beseften dat ze allemaal samen het lichaam waren; ze maakten deel uit van elkaar. Elk orgaan moest goed functioneren als ze allemaal goed wilden functioneren.

Om een soortgelijke wedstrijd in de toekomst te voorkomen en om te voorkomen dat zij elkaar in de weg zouden zitten, werd er unaniem door alle organen besloten dat zij het lichaam voortaan rechtop zouden laten lopen, met de voeten op de grond en de armen in de lucht. Het lichaam was blij met dit besluit, maar het zou kinderen toestaan om op alle vier de ledematen te lopen zodat zij hun herkomst niet zouden vergeten. Zij verdeelden de taken: de benen zouden het lichaam dragen, maar bij aankomst op de plaats van bestemming zouden de handen alles doen waarbij gereedschap gemaakt of gebruikt moest worden. De benen en de voeten hadden de zware taak van het dragen, en de handen strekten zich uit en gebruikten hun vaardigheden om de omgeving te bewerken en ervoor te zorgen dat voedsel de mond bereikte. Mond, of eigenlijk zijn tanden, zou dan het eten kauwen en het door de keel naar de maag sturen. De maag zou al het goede uit het eten halen en dit in het vatenstelsel gieten, waardoor al het goede eerlijk zou worden verdeeld, tot in de uithoeken van het lichaam. De maag zou daarna alle gebruikte materialen afvoeren naar het afvalsysteem, waarna het lichaam ze in de open velden zou achterlaten of ze zou begraven onder een laag aarde om die te verrijken. Planten zouden groeien en vrucht dragen; handen zouden er wat van plukken en deze in de mond stoppen. Inderdaad, de cirkel van het leven.

Zelfs de spellen en het vermaak werd op deze wijze verdeeld: zingen, lachen en praten werden aan de mond overgelaten, rennen en voetbal voornamelijk aan de benen en honkbal en basketbal werden voor de handen bestemd, behalve het rennen, dat de benen voor hun rekening namen. In de atletiek hadden de benen het grotendeels voor het zeggen. De duidelijke taakverdeling maakte van het menselijk lichaam een geduchte biomachine die met zijn vaardigheden zelfs de grootste dieren te slim af was, zowel kwalitatief als kwantitatief.

Maar de organen beseften dat de permanente afspraken toch tot conflicten konden leiden. Het hoofd helemaal bovenaan kon gaan denken dat het beter was dan de voeten, die de grond raakten, of dat het de baas was en de organen eronder alleen maar zijn dienaren. Zij benadrukten dat wat macht betreft, het hoofd en alles daaronder gelijk waren. Om dit te onderstrepen zorgden de organen ervoor dat alle pijn en blijdschap van elk orgaan door alle andere organen werden gevoeld. Ze zorgden ervoor dat de mond wist dat hij voor het hele lichaam sprak en niet als enige eigenaar wanneer hij ‘míjn dit of dat’ zei.

Ze zongen:

In ons lichaam
Is er geen dienaar
In ons lichaam
Is er geen dienaar
Wij dienen elkaar
Ons voor ons
Wij dienen elkaar
Ons voor ons
Wij dienen elkaar
De tong is onze stem
Houd mij vast en ik houd jou vast
Wij bouwen een gezond lichaam
Houd mij vast en ik houd jou vast
Wij bouwen een gezond lichaam
Schoonheid is eenheid
Wij werken samen
Voor een gezond lichaam
Wij werken samen
Voor een gezond lichaam
Eenheid is onze kracht

Dit werd het Volkslied van het Hele Lichaam. Het lichaam zingt dit tot de dag van vandaag en dit is het verschil tussen de mensen en de dieren – die de verticale revolutie hebben afgewezen.

Na alles wat ze hadden gezien wilden de viervoetige dieren niets weten van deze revolutie. Het zingen was belachelijk. De mond was om mee te eten, niet om mee te zingen. Ze werden de conservatieve partij van de natuur; ze gingen hun gangetje en veranderden hun gewoonten nooit.

Wanneer mensen leren van het organennetwerk dan komen ze ver; maar als ze het lichaam en het hoofd als vijanden van elkaar zien, de een boven op de ander, dan lijken ze meer op hun dierlijke familieleden, die niets wilden weten van de verticale revolutie.

***
Ellen Singer